Verhaal bij les 2

Parijs mét en zonder koning

 

Altijd hetzelfde doen, dat is best saai. Nieuwe dingen doen is leuk, maar het kan ook stress opleveren: een andere school?, op kamp?, slapen bij een klasgenoot? Sommigen vinden het prachtig, anderen niet. Bij de dingen die ik net noemde, kun je je misschien wel voorstellen hoe het allemaal zal gaan.

Maar hoe voelt het als de revolutie is afgekondigd? Als mensen beweren dat er een nieuwe regering komt. Als alles, maar ook echt alles anders wordt? Als je niet weet wie je vrienden zijn en of ze dat ook echt zijn en wat ze dan echt willen. Hoe beheerst blijf je als anderen alsmaar wat zenuwachtig rondlopen. Hoe goed kun je slapen als je allemaal andere en nieuwe geluiden hoort en je niet eens weet of je er wel of niet bang voor moet zijn.

 

Vive le Roi: leve de koning

Het was juli 1789: Koning Lodewijk XVI zat flink in de rats. In zijn kaatsbaan zaten nog steeds, nu al dagenlang, die vijfhonderd mensen te vergaderen. Zijn rijke edelen waren boos omdat ze opeens belasting moesten betalen. In Parijs was de opstand uitgebroken. Daar werden zijn Zwitserse soldaten uitgescholden en beschoten. Het stadhuis van Parijs was bestormd. En uit de gevangenis was bijna veertienduizend kilo buskruit meegenomen,  dat vond de koning veel gevaarlijker dan die zeven gevangenen die de opstandelingen hadden bevrijd.

 

Maar de koning had helemaal zo bang niet hoeven te zijn. Want de Parijzenaren wisten zeker dat het allemaal niet de schuld was van de koning. De koning was nog maar kort koning en met zijn vijfentwintig jaar ook nog best jong voor een koning. Hij moest het allemaal nog leren. Het kwam omdat hij slechte adviseurs had. Van die oude knarren met witte pruiken, die de vorige koning nog hadden geadviseerd. Het kwam ook omdat de koning niet in Parijs woonde. Als hij nu gewoon in Parijs zou wonen, dan zou hij weten hoe erg het er stonk. Dan zou hij weten hoe erg de honger was. Daarom nodigden ze de koning uit om in Parijs te komen wonen. Eerst naaiden ze speciaal een nieuwe vlag voor hem: een welkomstvlag. Ze knipten de oude, blauw met rode, Parijse vlag van onder naar boven doormidden en naaiden in het midden de witte koningsvlag. Koning, wij heten je welkom met de nieuwe Parijse vlag: blauw, wit en rood. Parijs en de koning! Slimme naaisters verkochten de vlaggetjes in het klein aan de Parijzenaren. Ze hadden ze handig tot een rondje gevouwen: dat heette in het Frans een ‘kokarde’. Je zag iedereen er mee. Soldaten spelden het op hun soldatenmutsen. Vrouwen droegen het op hun jurk. De bakker legde het tussen de broden, de slager hing het onder zijn uithangbord. Want er kwam een nieuwe tijd aan, dat voelde iedereen. Een nieuwe tijd, met een nieuwe koning en jonge moderne frisse raadgevers, die de nieuwe grondwet, de nieuwe regels om wetten te maken, gingen gebruiken. Toen de stad was versierd, kon de koning in Parijs komen wonen.

 

En dat deed hij. Hij ging in een paleis in de stad wonen. Maar de koning zat daar niet lekker. Hij voelde zich als een hond met oud en nieuw. Er was de hele tijd lawaai. Er werd geschreeuwd en gescholden. Je hoorde de hele dag door geweren of pistolen knallen, dat was natuurlijk de bijna veertienduizend kilo aan buskruit dat op moest. En het stonk zo verschrikkelijk overal. Elke dag vroeg de koning zich af wanneer al die boze stinkende Parijzenaren met hun knallen en schreeuwen zijn paleis binnen zouden stormen.

De koning hield het niet meer uit. Op zekere nacht vertrok hij vermomd, met koets, koningin en kinderen stiekem vanuit Parijs naar Noord-Frankrijk. Daar had je tenminste nog betrouwbare soldaten. Samen met hen zou hij naar Parijs terugkeren.

Dat had hij beter niet kunnen doen…

 

Vlakbij de Belgische grens dacht een postmeester, die als werk had de vermoeide en hongerige paarden voor de koets te vervangen door goed uitgeruste en goed gevoede paarden: “Hé, is dat de koning niet? Hij lijkt op die man die op ons geld staat.” “Als dat de koning is,”, dacht hij: “waar zijn de soldaten dan? Stel je voor dat een of andere rover straks de koning beroofd.” En dus waarschuwde hij snel een groep soldaten, die toevallig in de buurt waren om met de koning mee te rijden.

Die soldaten snapten er niets van: de koning die er uitzag als een gewone reiziger? Hier klopte iets niet. Misschien wist iemand in Parijs wat er aan de hand was. En dus reden ze terug naar Parijs, met de koning, de koets, de kinderen en de koningin. In elke dorp renden er juichende kinderen met de koets mee. Hoe oneerbiedig!

De soldaten zaten met een probleem. Wie moesten ze vragen wat er aan de hand was? Bij wie moesten ze de koning terug brengen? Iemand moest een beetje op die koning letten, zodat hij er niet weer zo onvoorzichtig vandoor ging. Maar wie?

En toen wisten ze het. Die mensen die regels bedachten om wetten te maken, die moesten op de koning passen. Als je oppas krijgt, dan ben je de baas niet meer.

En zo werden de vijfhonderd mensen die de grondwet bedachten de baas over de koning.

 

Hoe was het eigenlijk met die vijfhonderd vergaderaars? Niet zo best.

Er waren dingen waar ze het snel over eens waren. Zo moest iedereen belasting betalen, want iedereen was gelijk. En: als iedereen gelijk was, dan had je ook geen slaven meer. Dus iedereen was vrij. En als iedereen met anderen om ging als of het zijn bloedeigen broer of zus was, dan waren er een heleboel problemen minder. Met je broer of zus zou je toch ook je laatste stukje brood eerlijk delen, zelfs als dat betekende dat je dan zelf wat minder had?

 

Vrijheid, gelijkheid en broederschap, dat werd de nieuwe leus bij de nieuwe vlag. Vrijheid, gelijkheid en broederschap! Dus wilden sommige vergaderaars niet meer Sire en Zijne Majesteit tegen de koning zeggen. Ze waren nu gelijk, allemaal burgers van de stad Parijs. En dus begroetten zij de koning met: “Goedemorgen burger Lodewijk”.

En precies daar begonnen de problemen.

 

Uit de rest van Frankrijk kwamen mensen naar de vergaderaars toe en zeiden: “Waarom moeten we elkaar opeens “burger groenteboer” en “burger timmerman” noemen? Is dit democratie? Wat raar dan dat hier alleen maar mensen uit Parijs zitten. Hoezo heeft Frankrijk een nieuwe vlag? Wij willen meepraten.”

“Dat kan niet.”, zeiden sommige vergaderaars: “want dan moet al dat vergaderen overnieuw. Bovendien wonen in Parijs de meeste slimme mensen van heel Frankrijk, dus wij kunnen echt wel goede wetten maken.” Ruzie dus.

Dan was er ook nog de adel: de baronnen, graven, markiezen en hertogen. Zij waren rijk tot stinkend rijk. Zij kwam niet naar Parijs, maar zij huurden soldaten in uit Zwitserland en schreven een brief: “Iedereen gelijk: mooi niet! Wij zijn anders, wij wonen al eeuwen in kastelen en daar blijven we wonen. Wij gaan niet naar jullie luisteren.”

 

Koningin Marie-Antoinette, of burgeres Marie-Antoinette nu dus, hoorde elke dag al dat geruzie. En dacht: “Zie je wel: een land zonder baas, dat is zoiets als een koets die doorrijdt, maar waar de koetsier vanaf is gevallen.”

Marie-Antoinette begon brieven te schrijven naar alle koningen in Europa die ze kende. Naar de koning van Groot-Brittannië, naar de koning van Pruisen, naar haar eigen broer de keizer van Oostenrijk,  en naar prins Willem de Vijfde van Nederland. Ze schreef:

“Ze zijn hier knettergek geworden. Kom ons helpen.”

En al die koningen kwamen met hun soldaten. Ze kwamen om Frankrijk te helpen,  zeiden ze, maar ze kwamen ook omdat ze bang waren dat mensen in hun land die Fransen na gingen doen, dan waren zij straks ook burger. En ze kwamen ook omdat dit een goed moment was een stukje Frankrijk in te pikken. Ze kwamen van alle kanten: marcherende Pruisen, oprukkende Oostenrijkers, Italianen en Nederlanders. En de Engelsen veroverden meteen al de Franse stad Toulon.

 

En toen moesten die vijfhonderd vergaderaars in de kaatsbaan van de koning plannen gaan bedenken om de legers Frankrijk uit te jagen. Ze lieten generaals bij zich komen en maakten samen met hen plannen om die Pruisen, Oostenrijkers, Engelsen en Nederlanders weer weg te jagen. Als generaals naar je luisteren, dan ben je ook de baas geworden over het land.

 

Burgeres Marie-Antoinette had goed geluisterd naar de gesprekken tussen de generaals en de vergaderaars. Toen ze bezig was al die krijgsplannen op te schrijven om naar haar broer, de keizer van Oostenrijk, te sturen, werd ze betrapt. Ze was een spion en spionnen kregen in die tijd de doodstraf. Marie-Antoinette had de doodstraf verdiend, vond iedereen. De vergaderaars twijfelden wat ze moesten doen met haar man, de vroegere koning Lodewijk. Uiteindelijk hadden de mensen die voor de doodstraf van Lodewijk waren maar twee stemmen meer. Koning Lodewijk XVI en koningin Marie Antoinette werden onthoofd met een nieuw apparaat: de guillotine.

Share