Verhaal bij les 3

Lesbrief 3: Winter in Nederland

 

Zo rond het jaar 1800, waren de mensen gewend aan oorlogen. Iedereen maakte in zijn leven wel drie of vier oorlogen mee. Als de belangrijke rijke heren ruzie hadden, dan vochten ze dat uit met soldaten. Die soldaten staken dan wat huizen in brand. Meestal waren dat huizen van mensen die niets met de ruzie te maken hadden. Want dat huis, of beter landgoed, van de ruziezoeker konden ze niet in brand steken omdat soldaten daar de boel beschermden. Die soldaten schoten dan een potje op elkaar. Dat zorgde voor veel gewonde soldaten en af en toe een dode. Slecht gemikte kogels doodden veel koeien of paarden in de buurt, en anders werden ze wel geroofd. De soldaten vertrapten het graan en boomgaarden gingen in vlammen op. Daarna zat er weer een nieuwe hongersnood aan te komen. Het ergste was nog dat je  er niets aan kon doen. Je kon als volwassene of kind alleen maar hopen dat het snel voorbij was en dat de rijke edelman bij jou in de buurt verstandig zou reageren op een ruziezoeker.

 

Maar nu was het anders. Al die legers kwamen geen oorlog maken met een hertog of koning, dat kon ook niet, want de koning was er niet meer, hij was onthoofd. Ze kwamen oorlog maken met gewone Franse mensen. Overal vandaan kwamen slechte berichten naar Parijs. Koeriers op snelle paarden rapporteerden hoe Engelsen, Oostenrijkers en Spanjaarden oprukten vanuit het zuiden. Duizenden vluchtelingen, te voet of met karren vol met bezittingen, trokken Parijs binnen en vertelden dat Oostenrijkers, Nederlanders en Pruisen het noorden van Frankrijk hadden veroverd.

Normaal gesproken had een generaal veel geld nodig om soldaten te werven. Nu stonden er allemaal Parijzenaren in de rij die wel gratis wilde vechten, als de generaal tenminste wat te eten had. Normaal gesproken wilden geweermakers geld hebben voor hun schiettuig, nu gaven ze hun spullen zo mee: “Als je ze maar tegen houdt.” Vrouwen naaiden haastig wat uniformen in elkaar, voor niks, nou ja bijna dan, voor een beetje eten. Het Franse leger zag er meer uit als een roversbende dan als een echt leger. De meeste soldaten hadden wel iets van een soldatenjas en een soldatenmuts, maar ze hadden hun broek van thuis nog aan. Geld voor soldatenbroeken was er niet. “Soldaten zonder broeken”, lachten de Oostenrijkers. Maar de Fransen trokken zich er niets van aan.

 

Zo had je bijvoorbeeld in het zuiden de Franse generaal Napoleon. Hij commandeerde een klein en hongerig leger waarvan veel soldaten op hun sandalen, klompen of zelfs blote voeten liepen, omdat er geen geld was voor goede soldatenlaarzen. Tegenover hem stond een Oostenrijks leger dat minstens drie keer zo groot was. De Oostenrijkse soldaten waren goed uitgerust. Ze hadden lekker gegeten en ze hadden allemaal dezelfde geweren en prachtige witte uniformen. Het leger blikkerde je in het avondzonlicht tegemoet als een lange lijn van witte stipjes aan de horizon.

Deze generaal Napoleon, een jong kereltje, was niet van plan om zich aan de keurige spelregels van de oorlog te houden. Hij wilde de Oostenrijkers niet netjes verslaan, hij had een beter plan. Hij vocht zich in vier veldslagen met zijn legertje tussen de Oostenrijkse soldaten door. De Oostenrijkse generaals snapten te laat wat Napoleon eigenlijk wilde. Te laat zagen ze dat hij zich naar de stad vocht waar de Oostenrijkers hun voorraden hadden liggen: eten, uniformen, buskruit, kanonnen, geweren, karren, paarden, tenten … hij nam het allemaal mee.

Na tien dagen vechten kon Napoleon zijn soldaten goede laarzen en warme soldatenjassen en dekens geven en vooral: genoeg te eten. Een feest werd het.

En dat was het verschil. De Oostenrijkse soldaten vochten voor hun bazen. Het maakte hen zelf niet veel uit of ze nu wel of niet een stukje Frankrijk veroverden. De Fransen vochten voor zichzelf, om hun vrouwen en kinderen te beschermen, omdat ze hun boerderijen terug wilden hebben. En die generaal Napoleon leek goed voor zijn mannen te willen zorgen. Voor hem wilden ze wel hun best doen.

 

Generaal Pichegru moest in het noorden de Pruisen, Oostenrijkers en Nederlanders verjagen. De Fransen wisten een drietal veldslagen te winnen. Pruisen, Oostenrijkers, Engelsen en Nederlanders werden naar het noorden gejaagd en waren pas veilig toen ze de grote rivieren de Maas en de Rijn tussen hen en de Franse troepen in hadden zitten.

De Fransen konden hen niet zomaar volgen. De rivieren waren erg breed. Er voeren kleine schepen op die rivieren maar ze hadden zware kanonnen. Die Nederlanders bliezen elke bootje van de rivier. Door de rivieren konden de Nederlanders met een paar kanonnen ongeveer dertigduizend Franse soldaten tegenhouden.  

 

Maar toen viel de winter in, een uitzonderlijk koude winter. De rivieren vroren dicht met 24 karaats noordpoolijs. Er waren geen boten meer nodig. Pichegru liet zijn dertigduizend soldaten gewoon de  rivieren over marcheren, het hart van Nederland in, waar nu de randstad ligt. De Pruisen en Oostenrijkers waren al naar huis gegaan. Wie vocht er nu als het zo ‘ijsberekoud’ was? De Engelse soldaten vluchtten door Gelderland naar Hannover, een gebied in Duitsland. Terwijl ze voor de Fransen vluchtten, staken ze de boerderijen in de Achterhoek in de brand en namen de beesten mee. Anders zouden de Fransen die koeien, paarden, schapen en geiten vast opeten. Daar zouden ze de Fransen alleen maar mee helpen.

Ergens anders in Nederland, in Den Helder, lagen veel schepen van de Nederlandse vloot vastgevroren in het ijs. De Franse soldaten te paard, reden het ijs op tussen Den Helder en Texel en staken de schepen in de brand. Ruiters die een scheepsvloot versloegen, het was een merkwaardige oorlog.

 

Echt een hele rare oorlog was het. De Nederlanders wisten namelijk niet zo goed of ze wel zo verdrietig moesten zijn dat ze veroverd waren. Vrijheid, gelijkheid en broederschap, dat was misschien nog niet zo’n slecht idee. Ook in Nederland had je van die rijke edelen die alleen maar aan zichzelf dachten. Net zoals de Franse koning die nu dood was, hadden zij hun huizen buiten de stad gebouwd omdat het in de stad zo stonk: Affreus!

 

En wat dacht je hiervan: het werk werd niet eerlijk verdeeld. Alleen als jouw vader al burgemeester was, kon jij ook burgemeester worden. Als je commandant van de stadswacht, de politie van toen, wilde worden, moest je rijk zijn. Of je ook goed was in dat werk, was niet belangrijk. Als een rijke commandant bijvoorbeeld tien  goudstukken van het stadsbestuur kreeg om een klus te klaren, dan deed hij het niet zelf, maar gaf hij één van zijn soldaten een handvol stuivers om het echte werk te doen. De rijke commandant hield dan nog negen goudstukken over voor zichzelf, waar hij helemaal niets voor hoefde te doen.

Zo eerlijk was het allemaal niet in Nederland toen Pichegru kwam in 1795.

 

Dikke prins Willem de Vijfde, de stadhouder, was zich meer en meer als een koning gaan gedragen, terwijl hij dat helemaal niet was. Hij vond het heel irritant dat de Staten-Generaal hem geen koning wilde noemen, maar daar had hij een oplossing voor gevonden: hij leefde gewoon als een koning. Je moest diep voor hem buigen en hij wandelde met zijn gasten door de enorme en prachtige tuinen van paleis het Loo, waar hij hen zijn dierentuin liet zien. Zoiets had zelfs de koning van Frankrijk niet gehad. Hij liet de gewone Nederlanders veel belasting betalen en zelf hield hij grote feesten.

Steeds meer Nederlanders ergerden zich aan dit gedrag. Dit was de afspraak niet! Nederland had geen koning omdat we het land met elkaar zouden regeren. Daarvoor hadden we immers de Staten-Generaal in Den Haag. Toen noemden ze een provincie een staat. Uit elke provincie van het land kwamen mannen naar Den Haag om te vergaderen. Maar de stadhouder, prins Willem de Vijfde, ging steeds meer zijn eigen gang.

Vrijheid, gelijkheid en broederschap, dat was een heel goed idee. Wij zijn wel klaar met je prins, jij namaakkoning Willem de Vijfde. Daarom kreeg hij van de Staten-Generaal geen geld meer om nieuwe soldaten in te huren. Prins Willem V snapte dat het tijd was om te vluchten. Vanaf het strand in Scheveningen liet de dikke prins zich door een bejaarde visserman door de golven dragen naar een vissersboot, anders zou hij immers nat worden, en nam, samen met zijn vrouw en kinderen, de boot naar Engeland.

 

In allerlei steden vierden de Nederlanders feest omdat de Fransen waren gekomen. Ze dansten om bomen die ze versierden met lange linten die ze midden in de stad neerzetten. Vrijheidsbomen werden ze genoemd. En ze bogen net zo diep voor elkaar als ze dat vroeger voor prins Willem moesten doen. En ze noemden elkaar burger Pieter en burgeres Karin. En ze dansten omdat ze weer democratisch zouden worden.

Share