Verhaal bij Les 1

 Democratie is een uitvinding

(voorlezen – vertellen – beluisteren)

Laatst heb ik vijftig euro betaald aan een goochelaar om een truc van hem te leren. Het was een prachtige truc: hij kon allerlei voorwerpen laten zweven. Maar toen hij me de truc had geleerd, dacht ik: “Is dat het nou? Is het zo simpel? Waarom heb ik dat niet gezien toen ik nog niet had betaald?”

Misschien denk je dat ook wel als je weet waar deze lessen over gaan. Deze lessen gaan over de uitvinding van de democratie. Lekker ingewikkeld denk je misschien. Democratie is gewoon dat iedereen mag zeggen wat hij vindt en daarna mag stemmen. Klaar! De uitvinding van de stoommachine, dát is pas een ingewikkelde uitvinding. Een apparaat met metertjes, zuigers, sisgeluiden, glimmende koperen ketels waar wolken stoom uitkomen en een gigantische kracht uitstralen.  

Maar: aan de uitvinding van de stoommachine hebben maar een dikke honderd mensen gewerkt. Terwijl aan de uitvinding van de democratie miljoenen mensen hebben meegedaan. En: er wordt nog steeds gewerkt aan die uitvinding. Jijzelf werkt ook mee aan de uitvinding van de democratie. Denk maar eens na over de volgende vraag: mogen leerlingen van de bovenbouw erover meestemmen wie de nieuwe directeur van hun school wordt?

Daarover mogen jullie straks praten. Eerst gaat dit verhaal verder. Als je een stoommachine bouwt en hij doet het, dan heb je bewezen dat het werkt. Dat is bij democratie heel anders. Hoe kun je bewijzen dat het werkt? Dat kun je bewijzen door je de tijd voor te stellen dat er nog geen democratie was. De tijd met alleen maar bazen die weer bazen boven zich hebben. En de opperbaas dat was dan de koning, de keizer of de tsaar. In die tijd begint dit verhaal. Het was geen tijd van gelaarsde katten of prinsen die prinsessen wakker kusten. 

Honger en opstand

Dit verhaal begint in het jaar 1769 in Frankrijk. Het was een tijd van rijke vrouwen in enorme jurken: hoepelrokken en hoge kapsels. Zij wandelden vooral lang en uitgebreid door enorme tuinen onder een parasol. Want het was super deftig om zo wit mogelijk te zijn. Het was de tijd van koetsen en trekschuiten. Moet je voorstellen: in de koets met die jurk en dat kapsel. Maar voor de gewone mensen was het vooral een tijd van honger. Laten we daar maar eens beginnen.

Honger kwam doordat het bijvoorbeeld heel lang niet regende. Het gras werd bruin. En de koeien konden er te weinig van eten. Kalfjes werden dood geboren. Op de droge bodem van beekjes en stroompjes lagen vissen weg te rotten.

Een ander jaar rukten fikse hagelstormen de appels van de bomen terwijl ze nog niet rijp waren en verpletterden de stormen het graan nog voor het geoogst kon worden.

Of het was een jaar waarin de winter maar niet voorbij wilde gaan. De rivieren bleven dichtgevroren. Er kwam geen plant uit de grond en ondertussen was er niets te eten voor mens en dier.

Raar genoeg waren er tussen 1769 en 1789 veel jaren van hongersnood. Er waren rijke edelen die de boeren extra brood gaven. Maar er waren er ook genoeg die dat niet deden. En zelfs als de edelen de boeren extra brood gaven, dan was het toch akelig voor de boeren om te zien dat die dikke edelen geen last hadden van de honger.

En dan was het op het platteland nog niets eens zo heel slecht. De boeren vingen nog wel eens konijn of een eekhoorn. Zij wisten ook dat je van brandnetels soep kon koken. Maar in de hoofdstad van Frankrijk, in Parijs, was het veel erger.  Daar was nauwelijks een grasspriet te vinden. De enige beesten die er woonden, waren ratten. Die knaagden aan alles. Aan het laatste brood, (waarvan je je moet voorstellen dat het toen, omgerekend naar nu, ongeveer 35 euro kostte), aan je schoenen en je kleren en zelfs aan je haren als je sliep. Natuurlijk vingen ze de ratten. Maar ratten kun je beter maar niet eten. Dan wordt je ziek, zeker weten. Maar de mensen aten de ratten toch, dat doe je als je honger hebt.

Parijs stonk naar honger en armoe en ziekte en verrotting. Parijs stonk zo erg dat de koning, Lodewijk XVI, een paar kilometer buiten Parijs woonde, in Versailles. Hij had Duitse en Zwitserse soldaten om zijn paleis te bewaken. Want hij was bang dat Franse soldaten tegen hem zouden zeggen: “Zeg meneer de koning, hoe kan het dat mijn moeder dood gaat van de honger en hier de honden zelfs te dik zijn om op hun poten te staan?” en: “Zeg meneer de koning, is het niet een goed idee om die halve kip die u niet meer lust aan mijn dochtertje te geven?” Maar de moeders en dochtertjes van deze Duitse en Zwitserse soldaten woonden ver weg en die soldaten dachten alleen maar: “Rare Fransen.”

In die tijd vertelden arme hongerige mensen in Parijs elkaar deze roddel: De vrouw van de koning, Koningin Marie Antoinette zou aan een lakei hebben gevraagd waarom de mensen in Parijs toch steeds zo boos waren. De lakei had haar verteld dat de Parijzenaren honger hadden, omdat het brood op was. “Nou ja”, had de koningin toen gezegd: “Waarom eten ze dan geen taart? Dat doe ik altijd als het brood op is.” Het was een roddel, maar in Parijs vertelde iedereen het woedend aan elkaar. En ze geloofden het. Ze wilden het geloven.

De koning schreef twee wetten om iets aan de honger te doen. Door de eerste wet werd het brood vier of vijf keer zo duur. Bij de  tweede wet moesten de rijke edelen ook belasting gaan betalen.

Vol woedende verbazing lazen de mensen de wetten. Het brood duurder maken, wat was dat voor een stomme oplossing? Snapte die onnozele koning dan helemaal niets? Wat voor een adviseurs had die koning eigenlijk? Misschien waren ze wel net zo dik en egoïstisch als de ratten van Parijs. Er moesten mensen komen die de koning goede adviezen gaven.

Bakkers, dokters, slagers, advocaten, timmerlieden, priesters, apothekers, boekenverkopers en een heleboel anderen liepen woedend van Parijs naar Versailles, waar het paleis van de koning stond. Bij elkaar waren het wel 1700 mensen. Het was alsof het weer net zo boos was als de burgers van Parijs: Donkere wolken pakten zich samen, terwijl de boze burgers naar Versailles liepen. De koning was dapper genoeg om ze te ontvangen in één van de grote vergaderzalen van zijn paleis.

Daar aangekomen vroegen ze de koning: “Weet u eigenlijk wel wat er gebeurt als u een wet heeft gemaakt? Weet u eigenlijk wel dat er goede en slechte wetten zijn? Wanneer is een wet eigenlijk een wet? Wie mag hier wetten maken? Alleen u? En als u nu toevallig dronken bent als u een wet bedenkt? Wat dan? Moet het Franse volk dan gehoorzaam zijn aan zo’n rare wet?”

Stil luisterde de koning naar die 1700 woedende mensen, maar het enige wat hij zei was: “Nu moeten jullie weer terug naar huis, want ik heb deze vergaderzaal nodig voor boze edelen.” En de Zwitserse en Duitse soldaten dreven de mensen weer naar buiten.

Uit de donkere wolken sloeg de regen ongenadig hard op de mensen in. Alsof niet de Zwitserse en Duitse soldaten op hen schoten, maar de wolken. Bliksem flitste tegelijk met de exploderende donder. Het leek wel een monster dat brulde en met zijn gevorkte bliksem naar iets eetbaars op de grond tastte.

Een zekere dokter Guillotin, die wel eens vaker in bij de koning in Versailles was geweest, riep de mensen. Hij wist waar de koning een overdekte kaatsbaan, een soort sporthal, had staan. Grommend, nat, koud en kwaad bekeken ze de kaatsbaan. Hoe was het toch mogelijk dat één persoon zo veel had en dat zo veel mensen bijna niets hadden? Boven het geraas van de regen, de wind en de donder moesten ze schreeuwend met elkaar praten. Elke donderslag wakkerde hun woede aan. Ze waren het eens: de koning moest zich aan regels houden voordat hij een wet maakte. En zij zouden die regels bedenken. Sterker nog: Ze gingen niet naar huis voordat zij, daar, met elkaar die regels bedacht hadden: “Ze mogen ons doodschieten. We mogen van de honger dood gaan. We gaan niet weg.” Grondwet noemden ze de regels waaraan nieuwe wetten moesten voldoen.

De koning heeft ze maar niet weggejaagd uit de kaatsbaan. Hij heeft ze zelfs eten laten brengen. Na de bui bleven er ongeveer vijfhonderd mensen van de 1700 achter om samen een Grondwet te bedenken.

Terug in Parijs zelf lieten de mensen zich niet langer meer tegenhouden. Met z’n allen trokken ze door de stad en roofden elk brood dat ze maar konden vinden. En wapens. En buskruit. Ramen werden ingegooid. Winkels werden leeggeroofd. Het stadhuis werd leeggeroofd. De Zwitserse soldaten, die als een soort politieagenten door de stad liepen, kregen stenen naar het hoofd gesmeten. In een klooster vonden ze een kelder vol met graan. Heel bekend is de bestorming van de gevangenis: de Bastille. Die bestorming is zo bekend geworden omdat daar enorm is gevochten. De Zwitserse soldaten schoten op de mensenmenigte. Franse soldaten kwamen de Parijzenaren helpen en veroverden de gevangenis. Ze vonden in de gevangenis wel bijna 14.000 kilo buskruit en bevrijdden er zeven gevangenen.

“Maar dit is oproer!”, schijnt koning Lodewijk XVI gezegd te hebben toen hij het allemaal hoorde. “Nee, sire, … antwoordde de boodschapper: “… dit is revolutie.” Het was 14 juli 1789.

Share